Bouwen, bouwen, bouwen en een taxi naar het Tibetaanse boeddhisme

Naar Tibet ga ik deze keer niet. Toch zou ik graag weer een keer die heel specifieke sfeer proeven die hangt in en rond de grotere lamakloosters. Zo'n plek waar mensen van  (heel) ver naartoe komen om op een intense manier hun geloof te belijden en beleven en voor ook niets anders oog hebben dan dat. Op zo'n tweehonderdvijftig kilometer van Lanzhou ligt tegen het plaatsje Xiahe aan (het is eerder andersom: de Chinezen hebben een stadje tegen het lamaklooster aan gebouwd!) een van de zes grootste lamakloosters van de Tibetaanse wereld: Labrang (nog altijd wel vierhonderd kilometer verwijderd van de Tibetaanse grens). Daar wil ik dus heen. Daarnaast is Lanzhou nu niet bepaald een plek waar je voor je plezier al te lang wilt rondwandelen. In boeken die ik eerder las werd de stad omschreven als een industriële hel die na de communistische overwinning in 1949 was gebouwd om het noordwesten van China nieuw economisch leven in te blazen. Het leidde tot een 20 kilometer lange strook van chemische complexen, textielfabrieken, olieraffinaderijen en alles wat verder nog rook en stank uitbraakt langs de Gele rivier (die hier overigens uitgesproken donkerbruin is). Nu wonen er drie miljoen mensen, het zullen er wel iedere dag veel meer zijn,  en schieten op de beperkte ruimte tussen de omringende heuvels tientallen (honderden?!) enorme flatgebouwen uit de grond omhoog. Het is bijna griezelig om te zien op hoe een beperkte ruimte al die hoge flats naast en vrijwel tegenelkaar worden neergezet. Overal zie ik door de glazenwanden liften omhoog en omlaag schieten. Ook Lanzhou probeert zichzelf opnieuw uit te vinden en dat vertaalt zich met name in een bouwwoede die zijn weerga niet kent. Ook de wegen in de stad zijn in een rap tempo aan het vol lopen. Rond de ochtend- en avondspits is er nu al geen doorkomen meer aan. Terwijl de Chinezen verder bouwen en stapelen (en elkaar van de weg proberen te drukken) wil ik dus naar een heel andere wereld die zich op slechts drie uur rijden van hier bevindt. Voor honderdtwintig euro vind ik een chauffeur met auto die mij wel twee dagen wil begeleiden.  Een verhaal over smalle hobbelige wegen, diepe ravijnen, keien en kuilen, rivierbeddingen die moeten worden doorklieft wordt het overigens niet. De provincie Gansu heeft blijkbaar besloten dat de omgeving van Lanzhou in de vaart van het Chinese volk moet worden meegenomen. Eerder was mij al opgevallen dat er een hypermoderne snelweg naar en van het vliegveld (ligt zeker een uurtje rijden buiten de stad) is aangelegd en ook ten noorden van de stad is een snelweg neergelegd die in geen enkel West-Europees land zou misstaan. Ik verdenk de Chinezen er zelfs van dat hier westerse know-how  is ingekocht. De gehele infrastructuur vertoont heel veel gelijkenis met die van ons. Het gaat hier overigens steeds om tolwegen. Wat de drukte op deze snelwegen betreft moet ik steeds aan Cuba denken.  Je komt soms minutenlang helemaal niemand tegen. En zo zoef ik dus uiterst comfortabel richting het Tibetaanse boeddhisme. Nou ja, comfortabel is niet helemaal het juiste woord. Het rijgedrag van vrijwel iedere Chinees in een auto, vrachtwagen, bus of gemotoriseerde tweewieler noopt voortdurend tot opperste staat van waakzaamheid. Je zou het beter kunnen omschrijven als het volledig ontbreken van enige vorm van gedrag. Als het al gedrag is dan past wangedrag het best. Niet dat ik er achterin de auto gezeten verder veel aan kan doen maar ik heb besloten dat ik een eventuele klap liever zie aankomen. Even de ogen sluiten is er dus niet bij.

Reacties

{{ reactie.poster_name }}

Reageer

Laat een reactie achter!

De volgende fout is opgetreden
  • {{ error }}
{{ reactieForm.errorMessage }}
Je reactie is opgeslagen!